De Verenigde Staten en China evolueren snel richting mercantilistisch economisch beleid, gedreven door demografische trends, politieke druk en verzwakkende binnenlandse dynamiek. Dat concludeert Patrick Artus, econoom bij Ossiam, deel van Natixis IM. Zowel Washington als Peking zet in op export, voert een beleid pro-industrie en creëert handelsbelemmeringen; en dat heeft potentieel grote gevolgen voor de wereldwijde handel.
Volgens Artus steunt mercantilisme op drie pijlers: de overtuiging dat welvaart voortkomt uit structurele overschotten op de handelsbalans, protectionisme en een steunbeleid voor de industrie, en de aanname dat de wereldeconomie een zero-sum game is waarbij winst voor de ene staat een verlies betekent voor de andere.
Vandaag de dag krijgt dat oude economische denken een opvallend actuele invulling. De Verenigde Staten zetten importtarieven strategisch in om buitenlandse concurrentie af te remmen, terwijl China zijn munt ondergewaardeerd probeert te houden en de uitbouw van exportsectoren stimuleert via grootschalige investeringen en staatssteun. In beide landen is het doel duidelijk: het Amerikaanse deficit in de goederenhandel moet verdwijnen, terwijl China zijn al forse handelsoverschot verder wil vergroten.
Oorzaken verschillen scherp tussen beide landen
In de Verenigde Staten lijken de voordelen van vrijhandel steeds minder duidelijk. De lagere consumentenprijzen door goedkope import, lijken politiek minder door te wegen dan de negatieve impact van de-industrialisatie op werkgelegenheid en inkomens. Artus verwijst naar de gestage daling van de werkgelegenheid in de Amerikaanse industrie en de afnemende bijdrage van de maakindustrie aan het bbp. Hierdoor krijgt het idee opnieuw voet aan de grond dat het land zichzelf moet beschermen om strategische sectoren veilig te stellen.
Voor China ligt de kern elders. Het land kamp met een snelle en structurele vergrijzing, dalende vruchtbaarheid en een stagnerende groei van de binnenlandse consumptie. Dat maakt een op consumptie gebaseerd groeimodel steeds minder haalbaar. China kiest daarom opnieuw voor een exportgedreven strategie, waarbij grote investeringen leiden tot een productiecapaciteit die de binnenlandse markt overstijgt. Die overcapaciteit wordt vervolgens richting de wereldmarkt geduwd, wat het mercantilistische profiel van de Chinese economie versterkt.
‘Onvermijdelijk voor China, maar verkeerde keuze voor de VS’
Artus stelt dat China nauwelijks alternatieven heeft: de demografische druk garandeert een langdurig zwakke binnenlandse vraag, waardoor een exportgerichte groei de enige realistische route blijft. Voor de Verenigde Staten ligt dat anders. Het land heeft een structureel overschot op vlak van diensten dat het deficit in de goederenhandel aanzienlijk compenseert. Met zijn sterke positie in digitale en hoogtechnologische diensten zou de VS juist baat hebben bij een open handel en een sterke dollar, die de import goedkoper maakt en consumenten ondersteunt.



