Terwijl de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in de komende zes maanden mogelijk beginnen met de normalisering van de rentes, zullen de eurozone en Japan waarschijnlijk langer vasthouden aan hun beleid van kwantitatieve verruiming en kwalitatieve en kwantitatieve versoepeling. Volgens John Greenwood, hoofdeconoom van Invesco, houdt dit een terugkeer van de wereldeconomie naar normale of ‘trendmatige’ groei op.
“Op de korte termijn zouden deze uiteenlopende beleidsmaatregelen van centrale banken volatiliteit in de valuta-, vastrentende en aandelenmarkten kunnen blijven creëren. Op de langere termijn zouden de maatregelen zowel de aandelen- als de obligatiemarkten in 2016 moeten ondersteunen”, schrijft Greenwood in een outlook voor het vierde kwartaal van 2015.
De hoofdeconoom wijst erop dat het alweer vijf jaar durende herstel in de VS nu pas de typische kenmerken van een normaal herstel begint te vertonen, waarbij de banken krediet verlenen en niet de Fed, en waar het klimaat voor bedrijfsinvesteringen verbetert. Ook de consumentenbestedingen krijgen hun normale momentum terug.
December
Een nieuwe crisis in China daargelaten, verwacht Greenwood dat er in december een einde zal komen aan de lange periode van buitengewone monetaire accommodatie in de VS. “Zolang de geld- en kredietgroei echter met 6% tot 8% blijven toenemen, moet de renteverhoging niet worden geïnterpreteerd als monetaire verkrapping”, zegt hij.
Terwijl het Verenigd Koninkrijk zich in een vergelijkbare situatie als de VS bevindt (een redelijke groei van de economische bedrijvigheid in combinatie met een inflatie die ruim onder de doelstelling ligt) is de groei in de eurozone en Japan de afgelopen weken iets afgezwakt, waaruit blijkt dat de aard van het herstel in deze twee economieën broos is in vergelijking met het inherent stabielere onderliggende herstel in de VS en het Verenigd Koninkrijk.
Groeivertraging
In de opkomende economieën blijft de groeivertraging in China, Brazilië en Rusland gevolgen hebben voor de grondstoffenmarkten, een groot aantal basisindustrieën en de omvang van de wereldhandel. Afgezien hiervan dreigt de strijd tussen producenten in opkomende markten om in meer algemene zin concurrentievermogen terug te winnen een verdere depreciatie van de valuta’s van deze economieën in de hand te werken.
Zoals Greenwood opmerkt, zijn de verstoringen in de financiële markten en de dalende prijzen op veel grondstoffenmarkten in de afgelopen twee maanden het einde van de gedachte dat opkomende economieën de wereldeconomie kunnen verlossen uit de situatie met benedengemiddelde economische groei.
“In plaats van de wereldeconomie een impuls te geven, heeft het uitermate stimulerende monetaire en begrotingsbeleid waarmee diverse opkomende economieën de grote recessie te lijf zijn gegaan geresulteerd in een kortdurend herstel in die opkomende economieën, gevolgd door oververhitting, verslechterende balansen op de lopende rekening, zeepbellen in vastgoedmarkten, inflatie, en depreciatie van valuta’s.”
Opkomende markten
Greenwood verwacht evenwel niet dat de recessies of de zwakke groei in de opkomende economieën het bescheiden herstel in de ontwikkelde economieën zullen bedreigen. “Hoewel sommige bedrijven of sectoren onvermijdelijk nadelige effecten van de problemen in opkomende economieën zullen ondervinden, vindt de transmissie van belangrijke fundamentele krachten nog altijd voornamelijk plaats van ontwikkelde naar opkomende markten. En niet andersom,” zegt hij. Bij fundamentele krachten doelt hij op zaken zoals monetair beleid of balansreparatie.
Ondanks de terugval in het herstelproces, die van korte of middellange duur kan zijn, verwacht Greenwood nog steeds een voortzetting van de opwaartse beweging in de mondiale conjunctuurcyclus, aangezien de benedengemiddelde groei en de lage inflatie geen aanleiding geven voor het type verkrappingsbeleid dat een vroegtijdig eind aan de groei zou maken.



